Deel A: Totaalbeeld gebiedsontwikkelingen

Grondportefeuille Almere

Het voeren van actief grondbeleid met grondexploitaties brengt financiële risico’s met zich mee. De risico’s van de portefeuille grondexploitaties worden op twee niveaus in beeld gebracht: Specifieke projectrisico’s en algemene markt- en macro economische risico’s.

Omdat er grote onzekerheid bestaat wanneer de netcongestie-problematiek wordt opgelost, en de ervaring tot nu toe leert dat de situatie eerder slechter dan beter wordt, hebben wij hiernaast drie scenario’s uitgewerkt die nog meer vertraging in gronduitgifte laten zien. Voor de financiële gevolgen daarvan hebben we een extra buffer in het harde weerstandsvermogen opgenomen.

Specifieke projectrisico’s

Ten behoeve van de beheersing van de risico’s en de financiële impact die de risico’s kunnen hebben op de exploitaties worden per complex deze risico’s in beeld gebracht en gewaardeerd. Om de risico’s financieel te waarderen wordt gebruik gemaakt van de door uw Raad vastgestelde risicowaarderingsmethodiek conform de “kadernota weerstandsvermogen”.

Vanaf MPGA 2022 is het projectmarktrisico als projectrisico toegevoegd. Dit is een risico die project specifiek van toepassing is, afhankelijk van het programma per grondexploitatie. Dit risico is ontstaan door de bijgestelde ramingsmethodiek van de grondopbrengsten.
In de grondexploitatie worden de grondopbrengsten marktconform geraamd voor de volledige looptijd, op basis van de actuele residuele grondprijzen. Het is niet toegestaan een verwachte toekomstige grondwaardedaling al in de ramingen te verwerken. Wel staan de boekhoudregels toe dat we hiervoor een specifiek risico berekenen: het projectmarktrisico.

Het projectmarktrisico is berekend uitsluitend voor marktwoningen (projectmatig woningbouw en particulier opdrachtgeverschap). Marktwoningen die al onder contract zijn, sociale woningbouw, bedrijven en voorzieningen zijn buiten beschouwing gelaten omdat ze minder gevoelig zijn voor de marktontwikkelingen.

Bij de berekening van het risico worden de volgende parameters gehanteerd. De vrij op naam-prijzen dalen met 3,8% in 2026 en 2,6% in 2027. Voor de bouwkosten geldt een stijging van 3,8% in 2026 en 3,0% in 2027. Wanneer we dit doorrekenen in de residuele grondprijzen voor de woningkavels die we nog moeten verkopen, komen we op veel lagere grondopbrengsten dan in de basisraming van het MPGA 2026. Dat verschil is het projectmarktrisico.

Het projectmarktrisico bedraagt totaal € 196 miljoen en wordt toegepast bij de grondexploitaties Kustzone Haven, Overgooi, Hortus, Verspreide percelen, Noorderplassen, Nobelhorst, Vogelhorst, Kustzone Poort en Stadstuinen.

Bij het jaarlijkse actualiseren van de grondexploitaties wordt het risicoprofiel en daarbij behorende risicokapitaal geactualiseerd. Het totale risicoprofiel wordt nu op € 455 miljoen maximaal geldgevolg (geldschade) geraamd. Deze raming bedraagt circa 22% van de nog te maken kosten (€ 0,64 miljard) en nog te realiseren opbrengsten (€ 1,4 miljard). Na weging op kansberekening van de diverse componenten bedraagt het risicobedrag over alle complexen € 309 miljoen (€ 19 miljoen voor de negatieve grondexploitaties en € 290 miljoen voor de positieve grondexploitaties).

De belangrijkste risico’s zijn te vinden bij de grondexploitaties Nobelhorst, Kustzone Poort, Stadstuinen Poort, Stichtsekant en Noorderplassen. Voor de vergelijking en de verklaring van de verschillen van het risicoprofiel tussen het MPGA 2026 en de Programmabegroting 2026 wordt verwezen naar het hoofdstuk weerstandsvermogen.

Macro economische risico’s

Naast specifieke projectrisico’s in grondexploitaties, worden ook markt- en macro economische risico’s in beeld gebracht om de mogelijke financiële consequenties van tegenvallende marktontwikkelingen op de hele portefeuille aan grondexploitaties op te kunnen vangen.

Een voorzichtig scenario en 2 crisisscenario’s

Er is onderscheid gemaakt in een ‘Voorzichtig scenario’ (zoals ieder jaar wordt doorgerekend) en 2 ‘Crisis-scenario’s’. Een economische crisis leidt tot minder vertrouwen, lagere leencapaciteit en minder verhuisbewegingen. Dit zal er waarschijnlijk ook toe leiden dat, ondanks de huidige behoefte aan woningen, er minder afzet is van grond voor woningbouw. Mensen komen tot andere afwegingen of zijn niet langer in staat om een woning te kopen / te huren. De ambities uit de concept-woonvisie in te realiseren woningen in de komende jaren, worden in die scenario’s niet gerealiseerd. De ‘woningmarkt’ bepaalt zelf voor een groot deel de behoefte aan woningbouw en daarmee het tempo in de woningbouwontwikkeling.

Als gevolg van een recessie kunnen de woningprijzen en daarmee de grondprijzen sterker dalen. In de twee crisis-scenario’s is er tevens rekening mee gehouden dat er extra kosten voor planontwikkeling nodig zijn, doordat de ontwikkelingen meer tijd kosten (minder efficiënt) en de organisatie niet zo snel afgeschaald kan worden.

De belangrijkste parameters voor de scenario’s zijn lagere afzet, lagere grondprijzen en hogere rente. Deze parameters zijn per grondexploitatie doorgerekend. In onderstaande tabel zijn de uitgangspunten en de financiële effecten per scenario weergegeven en afgezet tegen het referentiescenario uit het MPGA 2026.

bedragen x € 1 miljoen

Componenten scenario

MPGA 2026: Realistisch scenario

voorzichtig scenario

crisis licht scenario

crisis zwaar scenario

Gemiddelde afzet woningen per jaar 2026 – 2034

1.000

800

2026: 500

2026: 500

2027: 500

2027: 500

2028: 700

2028: 650

Vanaf 2029: 800

Vanaf 2029: 800

Gemiddelde afzet bedrijven per jaar 2026 – 2034

10 ha

7 ha 

2026: 4 ha

2026: 2 ha

 2027: 5 ha

2027: 2 ha

              2028: 6 ha

2028: 3 ha

   Vanaf 2029: 7 ha

2029: 5 ha

Vanaf 2030: 7 ha

Gemiddelde afzet voorzieningen per jaar 2026 - 2034   

48.500

35.000

35.000

35.000

Rente percentage (langjarig gemiddelde)

2,0%

2,5%

2,5%

2,5%

Opbrengstontwikkeling percentage

1,5%

1,0%

2026: -5.0%

2026: -8,0%

2027: -3,0%

2027: -6,0%

          2028:  0,0%

2028: -3,0%

          2029:  2,0%

           2029:   0,0%

          2030:  4,0%

           2030:   3,0%

Vanaf 2031: 1,5%

Vanaf 2031: 1,5%

Kostenontwikkeling percentage

2,0%

2,0%

2,0%

2,0%

Financieel effect

Benodigde voorziening negatieve grexen en risico’s

€ 90 mln.

€ 100 mln.

€ 168 mln.

€ 207 mln.

Beschikbare voorziening + harde reserve in weerstandsvermogen grondbedrijf

€ 173 mln.

€ 173 mln.

€ 173 mln.

€ 173 mln.

Niet afgedekt binnen grondbedrijf

-

-

-

€ 34 mln.

Financieel effectIn het voorzichtige scenario ligt de afzet van woningbouwkavels structureel circa 20% lager dan het referentiescenario (MPGA 2026). Met name kavels voor dure woningen zullen minder worden afgezet, voor sociale huurwoningen en het betaalbare segment zal de impact minder zijn. De opbrengststijging ligt met 1,0% lager dan in het referentiescenario, terwijl de rente met 2,5% juist hoger ligt. Op basis van deze parameters hebben de negatieve grondexploitaties en risico’s een saldo van € 100 miljoen, wat € 10 miljoen hoger is dan in het referentiescenario. Dit bedrag is reeds opgenomen in de berekening van het weerstandsvermogen en daarmee al afgedekt.

In de scenario’s crisis-licht en crisis-zwaar daalt de afzet van woningbouw naar 500 woningen voor één tot enkele jaren. Bij bedrijventerreinen zakt de afzet naar een niveau van slechts 2 hectare voor enkele jaren. De grondprijzen gaan eerst flink dalen en na enkele jaren vindt herstel plaats. We zien dat in beide crisis-scenario’s de benodigde voorziening voor negatieve grondexploitaties groter wordt. De vraag is steeds of we dat kunnen opvangen binnen de beschikbare buffers. In totaal hebben we € 173 miljoen buffer beschikbaar, namelijk de voorziening voor de verlieslatende grondexploitaties (€ 74 miljoen) en de harde reserves binnen het weerstandsvermogen van het grondbedrijf (€ 99 miljoen).

Bij het scenario crisis-licht houden we rekening met een benodigde voorziening voor negatieve grondexploitaties van € 168 miljoen. In dit bedrag zijn ook extra plankosten opgenomen, omdat we ervan uit gaanuitgaan dat de afbouw van personeel minder snel gaat. Daardoor vallen de plankosten hoger uit. Bij het scenario crisis-zwaar speelt hetzelfde, en daar bedraagt de benodigde voorziening € 207 miljoen. De crisis zwaar scenario kan niet worden opgevangen binnen de aanwezige buffer van € 173 miljoen. Dat komt doordat de grondexploitaties Kustzone Poort en Kustzone Haven negatief worden.

Scenario’s netcongestie

De consequentie van netcongestie voor de grondverkopen is verdere vertraging in de gronduitgifte. Om de financiële consequenties van netcongestie in beeld te brengen hebben we daarom een apart scenario doorgerekend. In dit scenario gaan we er van uit dat we voor grootverbruikers, dat zijn bedrijven en maatschappelijke en commerciële voorzieningen, tot 2034 maar 20% van de basisraming in de grondexploitaties gronduitgifte kunnen realiseren.  
Voor woningbouw is de problematiek minder zwaar. Wij gaan ervan uit dat 50% van de basisramingen kan worden afgezet. Dit scenario leidt tot substantiële vertraging in de gronduitgifte voor de hele programmering, maar het is niet nodig gronden uit exploitatie te halen. De financiële impact is ten opzichte van PB 2026 met ruim € 4 miljoen toegenomen naar € 8 miljoen. Dit bedrag reserveren we in het harde weerstandsvermogen.

Deze pagina is gebouwd op 06/03/2026 12:47:11 met de export van 06/02/2026 11:22:28